Groot   Manuela Olten & Annette Huber


Wat groot is en wat niet, is relatief.  Maar hoe maak je dat duidelijk aan jonge kinderen?  Met dit boek!  Over de voor- en nadelen van groot zijn.  Geschikt voor groep 1 & 2, rekenactiviteiten erbij gebruiken kan ook nog heel goed in groep 3 & 4.
 

 


Introductie

Wat is groot en wat is klein volgens de kinderen?  Vinden ze zichzelf groot?  Meet de kinderen op met een meetlint.

Lezen en schrijven

    Woordenschat.  Ik ben 99 centimeter groot.  Dat is bijna een meter zegt mama.  Neem allerlei meetinstrumenten (rolmaat, liniaal, meetlint, weegschaal, maatbeker,...) mee naar de klas.  Wie weet wat een meter is?  Waarmee kun je dat meten?
    Bij volwassenen groeien alleen de haren en nagels nog.  Wat groeit er nog allemaal bij kinderen? 
    Wat zijn de voordelen van groot zijn?  Wat die van klein zijn?

Rekenen / wiskunde

    Meten.  Hoe lang zijn de kinderen?  Vergelijk het met de meter van het jongetje uit het boek.
    Meten.  Structuur Cooperatief leren In de rij.  Laat de kinderen een rij maken van klein naar groot (of net omgekeerd).
    Meten.  Wat is een meter?  Bij lezen en schrijven staat een meer woordenschataspect hiervan.  Kunnen de kinderen in de klas voorwerpen zoeken van een meter groot?  Kunnen ze voorwerpen vinden die kleiner / groter zijn?  Laat ze hun gang gaan met een meetlint, liniaal of rolmaat.  Teken op een papier met je groepje dingen die meer dan een meter zijn, dingen die ongeveer een meter zijn en dingen die kleiner zijn dan een meter.
    Mama is veel groter dan ik.  Ze meet 76 cm meer.  Laat kinderen de som maken.
    Mama is veel groter dan ik.  Het jongetje noemt lichaamsdelen op die bij zijn moeder groter zijn.  Laat de kinderen zichzelf vergelijken met een volwassene (ouder of leerkracht bijvoorbeeld) en wat lijkt erg veel groter te groeien en wat niet.  Het hoofd groeit immers niet zo veel meer.
    Mama kan met haar lange benen sneller lopen.  Laat de kinderen verschillende stappen opmeten met krijt op het schoolplein.
    Mama ziet meer dan het jongetje.  Wat zie je allemaal beter als je groter bent?  Laat kinderen dit ervaren door op een stoel te gaan staan.
    Ik weeg zoveel als een krat water, zegt mama.  Laat kinderen berekenen hoeveel dat zou kunnen zijn.  Hoeveel flessen zitten er in een krat?  Hoeveel zou een fles wegen?  Laat de kinderen het antwoord controleren in een supermarkt.
    Tellen.  Hoeveel kledingstukken van het jongetje kunnen er in de wasmachine?  Hoeveel zouden dat er bij de moeder kunnen zijn?
    Hoe groot zal ik later zijn.  Noem 5 dingen die kleiner zullen zijn en 5 dieren die groter zullen zijn dan jijzelf.

Spelactiviteiten


    Zet een klein zwembadje in de tuin waarin piraat gespeeld kan worden.